Terug naar overzicht
Coby van der Linde
25 juli 2017

Het silo-denken voorbij

Coby van der Linde: "We hebben het hoe, wat, wie en waar nog niet onder de knie"

De volgende fase van transitiebeleid zal, minder dan het 2020-beleid deed, de structuur van het energiesysteem raken door inpassing van nieuwe energietechnologieën en -installaties. Hierdoor zal de discussie over de herinrichting van de Nederlandse energie-economie voor alle stakeholders belangrijker worden. Immers, zowel bestaande als nieuwe technologieën, infrastructuren en marktpartijen zullen concurreren om hun plek in het systeem. We zijn natuurlijk lang verwend geweest met Nederlands gas als systeemdrager en wellicht daardoor minder geoefend geraakt in het doordenken van veranderingen in het energiesysteem. We vinden het in onze discussie nog vaak moeilijk om de invloed van nieuwe energietechnologieën op de inrichting van het energiesysteem in te schatten. Vooral als de ontwikkelingen stap voor stap gaan. Zo kan de integratie van het nieuwe energieaanbod voor hoofdbrekens zorgen, maar kan ook het te snel krimpen van bestaande structuren problemen opleveren. Dat zijn typisch vraagstukken in een veranderingsproces dat over een langere tijd wordt uitgesmeerd en waarbij we ons nu moeilijk een voorstelling kunnen maken van het proces van krimp, groei en aanpassing over een lange periode. Wat me opvalt in de veelheid aan transitiestudies is dat nog maar weinig wordt nagedacht over het gedrag van bestaande en nieuwe marktspelers.

"Vaak wordt het transitieverhaal voorgesteld als een soort kleinschalig, bijna huiselijk, iets, terwijl de dimensies van verandering in werkelijkheid veel groter zullen zijn."

Parallelle ontwikkelingen
De huidige discussie over de energietransitie is vooral een discussie over elektriciteit. Het blijkt hier al lastig genoeg om het CO2-vraagstuk centraal te houden. Landen die eerst nucleaire energie willen vervangen door duurzame bronnen, zoals zon en wind, zullen aanvankelijk namelijk weinig mijlen maken in het terugdringen van de CO2-uitstoot. Een dergelijke keuze zorgt ervoor dat waarschijnlijk meer en langer opwek met kolen in het systeem zal blijven en er extra hard ingezet moet worden op het terugdringen van CO2-uitstoot in andere sectoren. De energie per eenheid uitgestoten CO2 verschilt nu eenmaal behoorlijk tussen de verschillende fossiele energiebronnen. Een andere complicatie is dat bij het verduurzamen van bijvoorbeeld de bebouwde omgeving, industrie of transportsector, er ook voldoende aanbod van duurzame stroom, gassen of vloeistoffen moet zijn. Te veel enthousiasme aan het vertimmeren aan de vraagkant kan namelijk zo maar de beoogde afnemende CO2-uitstoottred verstoren.

 

Dimensies
In een energietransitie waar decentrale productie de boventoon gaat voeren zullen andere marktpartijen of spelers de boventoon voeren, dan als de nieuwe energietechnologieën op industriële schaal worden uitgerold. Denk aan grootschalige wind op zee of zonneparken. Vraag en aanbod van bijvoorbeeld staal en zeldzame metalen zal ook sterk worden beïnvloed door de schaal en snelheid van het uitrollen van nieuwe energietechnologieën. De gelijktijdigheid van transitieprocessen zowel binnen een land als met andere landen zullen de kosten en opbrengsten behoorlijk beïnvloeden. De consequenties van een ontwikkeling van duurzame energie op industriële schaal worden echter nog nauwelijks in het toekomstige narratief meegenomen. Vaak wordt het transitieverhaal voorgesteld als een soort kleinschalig, bijna huiselijk, iets, terwijl de dimensies van verandering in werkelijkheid veel groter zullen zijn.

Spelers
De potentiele investeerders in het energiesysteem zijn behoorlijk verschillend van aard en omvang en zoeken ook andere oplossingsrichtingen. In de belangenbehartiging zie je al duidelijk een voorkeur ontstaan tussen de verschillen marktpartijen over de geprefereerde route en dimensies. In de transitiediscussie wordt een bedrijf als Shell op de korrel genomen omdat het te weinig investeert in wind of zon en/of andere nieuwe energietechnologieën. Vergelijkingen van jaarlijkse miljarden geïnvesteerd in olie- en gasprojecten worden dan afgezet tegen geringere hernieuwbare investeringen. Met het rood in de nek wordt dan gewezen op de omvang van deze dwaling. Maar als Shell de investeringen in bijvoorbeeld in wind op de Noordzee wil opschalen naar een projectomvang van meer Shelliaanse proporties, dan leggen ze de lat zo hoog dat andere, kleinere, spelers mogelijk deze nieuwe markt uit worden gedrukt. En dat is dan ook weer niet goed, want dat past niet in het meer huiselijke transitieverhaal dat sommigen voorstaan. We hebben inmiddels het waarom we het doen wel onder de knie, maar het hoe, wat, wie en waar levert nog de nodige strubbelingen op.

Nalatenschap telt
We denken bij transitievraagstukken veel te weinig na over de rollen die verschillende stakeholders kunnen spelen en nog minder of ons idee van transitie past bij de competenties van de verschillende stakeholders. Het is logisch dat die competenties doorklinken in de soort van oplossingsrichtingen die naar voren worden gebracht. Dus in Nederland zullen we eerder denken in termen van hoe zon en wind omgezet kunnen worden in schone moleculen (zoals waterstof) zodat ook de molecuul-geënte industrie kan aanhaken in de energietransitie, dan landen met een grotere (lees nucleaire) elektriciteitssector, die eerst de elektrische route verder op willen. Die laatste landen hebben vaak een zwaarder elektriciteitsnet, met bijvoorbeeld veel grote industriële elektriciteitsgebruikers, maar ook bebouwde omgeving met alleen elektrische energiediensten. Het nalatenschap van het huidige systeem, naast verschillen in competenties, is dus wel degelijk van belang in de voorkeursroutes van landen om kosten en opbrengsten te managen. Niet alleen de competenties van de bedrijven in verschillende landen varieert, maar dat geldt evenzeer voor de (semi-)overheidsinstituties. Het punt waar we nu zijn beland in de discussie is dat we het aanbod-silo-denken hebben verschoven naar een vraag-silo-denken, terwijl we juist moeten inzetten op geïntegreerd systeemdenken, inclusief nieuwe en bestaande infrastructuren, zodat we alle sectoren en alle spelers uitdagen om mee te bewegen in de transitie.

Coby van der Linde is directeur van het Clingendael International Energy Programme (CIEP)