Terug naar overzicht
Joris Wijnhoven
20 juli 2016

“Besparing industrie niet alleen faciliteren, maar ook reguleren”

Joris Wijnhoven, Greenpeace: “Industrie ontkomt er niet aan zelf mee te betalen”

In juni presenteerde de club van grootverbruikers van energie (VEMW) een mooi rapport over de ambitie van de industrie om flink CO2 te gaan besparen. Sectoren als de papier, chemie en metaal weten vele ogen op zich gericht om de CO2-uitstoot flink te beperken. Dat is niet alleen onvermijdelijk omdat de industrie een groot aandeel in onze totale uitstoot heeft, maar ook omdat besparing juist daar erg goedkoop is.

Onder de welluidende titel ‘Samen op weg naar minder' worden concrete besparingsprojecten bij bedrijven als KPN, Heineken en Akzo in het zonnetje gezet. Prima, want over het technisch vermogen van de industrie om haar productieprocessen zuiniger in te richten bestaat geen enkele twijfel. De oprechtheid van de ambities wil ik evenmin ter discussie stellen. Al moet daar wel bij worden aangetekend dat 80 tot 95% CO2-reductie in 2050 bij lange na niet genoeg is om de aangescherpte doelen van het Klimaatakkoord van Parijs te halen. Als we de opwarming van de aarde willen beperken tot 1,5 graad, moet de industrie net als alle andere sectoren nog veel sneller aan de bak dan tot dusverre voorzien.
“De ambities ten spijt lopen industrieën niet erg veel harder dan je op basis van ‘business as usual’ mag verwachten”
Los van het ambitieniveau draait natuurlijk alles om de vraag of en hoe die gehaald gaan worden. Want dat papier geduldig is blijkt wel uit de uitvoering van de afspraken van het Energieakkoord. De industrie zegde daarin toe 9 petajoule energiebesparing voor haar rekening te nemen, maar faalde daar tot op heden compleet in. Daarvoor zijn allerlei redenen aan te voeren, maar veel draait om de terugverdientijd van investeringen. Consultant Gert Jan van Wakeren, die pas een rondgang maakte langs bedrijven om te horen over hun plannen en financieringsbehoeften, schreef daarover in zijn eindrapport: “Typisch wordt een maximale terugverdientijd van 3 jaar (en soms korter) gehanteerd”. Los van deze licht deprimerende constatering, bespeurde hij maar weinig animo bij de industrie om zich te laten helpen bij de financiering van potentiële besparingsprojecten in de vorm van leningen. Voor de 65 miljoen financieringsbehoefte die hij in beeld bracht, komen beheerders van pensioenfondsen niet uit hun bed.

Goed. De ambities ten spijt lopen industrieën dus niet erg veel harder dan je op basis van ‘business as usual’ mag verwachten. Alleen ultrakorte terugverdientijden worden geaccepteerd en externe financiering lijkt daar niet bij te helpen. Wat willen de energieslurpers dan wel? Ook daarover zijn ze duidelijk: de overheid dient een ‘faciliterende’ rol te spelen. Dat betekent: meer mogelijkheden in wet en regelgeving (wat op veel punten een terechte claim is), maar vooral: baar geld.

Laat ik die laatste claim nu eens niet meteen afkatten. Want hoewel het eeuwige dreigement dat bedrijven het land verlaten du moment dat de overheid met een vinger naar ze wijst niet erg overtuigend is, concurreren grootverbruikers wel mondiaal. Laten we, voor het gemak, dan ook als uitgangspunt nemen dat er linksom of rechtsom extern geld bij moet om langere terugverdientijden acceptabel te krijgen, al valt niet in te zien waarom voor de bakker een terugverdientijd van vijf jaar de wettelijke norm is, maar voor DSM niet. Kortom, laten we ervan uitgaan dat de overheid voor extra geldstromen gaat zorgen uit de algemene middelen richting bedrijven, omdat innovaties anders niet haalbaar zijn.

VEMW doet zelf de suggestie om de subsidieregeling voor schone energie (SDE+) open te stellen voor een hele nieuwe categorie: energiebesparing. Dat is bepaald brutaal te noemen, omdat die pot, via een opslag op de energierekening, geheel wordt gevuld door burgers en kleinere bedrijven. Zelf betalen deze grootverbruikers nauwelijks mee. Omwille van het draagvlak voor de omslag naar schone energie lijkt het me nogal een hachelijk avontuur om burgers niet alleen te laten betalen voor windmolens op zee, maar ook nog eens voor de warmtepijpen in de industrie. Daarom zal de industrie er niet aan ontkomen zelf mee te gaan betalen aan de innovatieve doorbraken die ze zelf bepleiten. Wat op bedrijfsniveau niet van de grond komt, kan collectief een handje geholpen worden. Het ligt nogal voor de hand om ook bedrijven meer energiebelasting te laten betalen. Dat levert budget op voor een nieuw subsidiemechanisme voor besparing, om projecten op gang te helpen die nu nog onhaalbaar zijn. Bedrijven hebben dan een keus: betalen, of in actie komen en profiteren. Alle kans dat er dan een schaal ontstaat waardoor ook pensioenfondsen geïnteresseerd raken. Zolang zulke gezonde overheidssturing door de industrie geblokkeerd blijft worden, zijn verhalen over een duurzame energie-intensieve industrie nogal goedkoop en gratuit.

Joris Wijnhoven is Campagneleider klimaat en energie bij Greenpeace. Op Twitter is hij actief onder  @JorisW_GP