Terug naar overzicht
Pieter Boot
18 december 2017

De goede wensen voor het nieuwe jaar

Pieter Boot: "Helft reductie zal in de industrie plaatsvinden"
Mogelijk brengt 2018 ons inzake energie en klimaat de afronding van een al enige tijd lopend denkproces. Het Regeerakkoord heeft daarvan de contouren geschetst: minimaal 49 procent reductie van broeikasgasemissies in 2030 ten opzichte van 1990, met een getalsmatig grote nadruk op de industrie en met vooral voorgenomen maatregelen in de elektriciteitssector. Het overheidshandelen wordt ingekaderd in een Klimaatwet, afspraken met partijen worden in akkoorden vastgelegd. Het Rijk probeert kosteneffectiviteit in het vizier te houden, het bedrijfsleven hoopt op economische kansen. Het klinkt bijna te mooi om waar te zijn. Waar moeten we volgend jaar op letten om het tot een succes te maken?

Industrie. Bij de in het Regeerakkoord geschetste opties trok de afvang en opslag van kooldioxide (CCS) veel aandacht. Dat is terecht, want de getallen zijn hier groot. Het echt vernieuwende vind ik dat ongeveer de helft van de voorgenomen reductie in de industrie zal plaatsvinden. Dat is veel. Het Energieakkoord is twee jaar bezig geweest om een besparingspakket voor de industrie te bedenken, maar de tabel van het Regeerakkoord indiceert voor 2030 een broeikasgasreductie die veertigmaal zo groot is. Dat lukt alleen met een uitgekiend beleidspakket. We kunnen de opbrengst van de CO2-prijs voor elektriciteit wellicht gebruiken voor tenders gericht op procesefficiency, CCS en elektrificatie. Met de grote ondernemingen zijn wellicht op innovatie gerichte reductie afspraken te maken. Met CCS winnen we tijd, maar zonder een brede en forse CO2-prijs worden de installaties weer stilgezet als de subsidie is afgelopen. De kosteneffectiviteit van industriële vernieuwing is relatief groot. Maar omdat de grote beslissingen over de meeste in ons land gevestigde industrie doorgaans elders worden genomen lijkt me dit bestuurlijk lastig.
“Alles hangt met alles samen”

Voor elektriciteit heeft het Regeerakkoord de route deels bepaald. Uitwerking daarvan vraagt verdere doordenking, vooral omdat perverse effecten op de loer liggen. Als Nederland een CO2-prijs introduceert terwijl er in de omringende landen niets gebeurt, gaan we minder elektriciteit exporteren of meer importeren. Het gevolg is dat onze gascentrales minder gaan draaien. Wellicht is het slimmer de CO2-prijs zo vorm te geven dat deze alleen effect heeft voor centrales die meer dan een bepaalde emissie per megawattuur uitstoten. Als ook de kolencentrales dichtgaan, drukt dat de export verder. Ook is de vraag waar deze verminderde productie opgevangen wordt. Duitsland heeft zijn eigen afwegingen te maken, waarbij de maatschappelijke gevolgen in bruinkoolregio's zwaar wegen. De CO2-prijs is een prachtig instrument, maar het zal veel stuurmanskunst vergen deze in heel Noordwest-Europa tot een reductie te laten leiden. Belangrijk is ook wat er in de plaats van de kolencentrales komt. Houdt minister Wiebes vast aan het basispad met regelmatige op kostenreductie gerichte tenders van wind op zee? Durven we hier te mikken op een echte keuze voor grootschaligheid samen met Engelsen en Duitsers? Of gaan we aarzelen, verminderen we de aantallen en daarmee ook de kans op kostenreductie?

Kwantitatief zegt het Regeerakkoord weinig over de gebouwde omgeving, vooral omdat daar al zoveel werk onderhanden is. Maar de voorgenomen akkoorden zullen toch vooral hierover gaan. Welke verantwoordelijkheden durven gemeenten en provincies op zich te nemen en welke experimenteerruimte wordt hen toevertrouwd? Hier zal ook de slag om de burger plaats vinden. Deze zal de energierekening zien toenemen en als hij of zij ‘van het gas afgaat' nog meer. De ‘first movers' vinden de uitstap uit het gas wel interessant, maar het gros van de bevolking heeft geen idee wat hem of haar te wachten staat. Hier gaat het over gesprek, samen doen, mensen serieus nemen, van elkaar leren. Anders dan de twee andere sectoren lijkt me dit niet een specifiek energiepolitiek punt, maar meer een onderdeel van het bredere vraagstuk van burger en bestuur. Nieuwe beslissingen zijn getalsmatig minder urgent, maar inhoudelijk misschien het moeilijkst.

Ten slotte hangt alles met alles samen. Elektrificatie van de gebouwde omgeving en het transport levert weinig broeikasgaswinst op als de elektriciteit nog met hoge emissies wordt opgewekt. Als we kiezen voor veel wind op zee en de burger daarnaast enthousiast blijft over zon-PV hebben we oplossingen nodig voor langdurige perioden als er te veel of juist te weinig elektriciteit wordt geproduceerd. Innovaties via elektrificatie van de industrie en waterstof liggen dan voor de hand, maar zijn voorlopig vaak nog duur. Gemeenten en provincies hoeven zich dan ook minder zorgen te maken over wind op land - die reserveren we voor de plaatsen waar burgers het zelf willen. Ze kunnen zich concentreren op energiebesparing in gebouwen en slim vervoersbeleid. De netbedrijven moeten weten welke keuzes worden gemaakt, anders investeren ze te veel. CCS zal tijdwinst opleveren omdat het tot snelle reducties kan leiden en geeft tijd om na te denken over de vraag hoeveel negatieve emissies door een combinatie met biomassa  we later nodig hebben. Zonder die negatieve emissies zouden we immers ook extreem dure restemissies moeten aanpakken. Als we zo in samenhang echt voortgang kunnen boeken, wetgeving realiseren en afspraken maken, wordt 2018 een succesvol jaar.

Pieter Boot is Hoofd sector Klimaat, Lucht en Energie bij het Planbureau voor de Leefomgeving