Terug naar overzicht
Pieter Boot
23 mei 2018

Energie- en klimaatbeleid schept ruimte voor nieuwe rol regio’s

Pieter Boot: klimaatambities maken een vertaling naar de regio onvermijdelijk

De besprekingen voor een klimaatakkoord zijn in volle gang. Aan tafels en subtafels wordt nagedacht, verkend en uiteindelijk onderhandeld. Centraal staan daarbij de sectoren waarin emissiereducties gerealiseerd moeten worden. Minder opvallend is een mogelijke vernieuwing in de relatie tussen overheidslagen.  

 

Van oudsher is ons energiebeleid vooral nationaal en het klimaatbeleid daarnaast Europees georiënteerd. Bij beide is het Europese element steeds sterker geworden. Gemeenten en provincies speelden in het begin van de twintigste eeuw een centrale rol, waaraan ze hun aandelen in netbedrijven en Eneco nog danken. Maar beleidsmatig was hun rol na de Tweede Wereldoorlog uitgespeeld. Om twee redenen is dat aan het veranderen.  

 

Provincies en gemeenten hebben ambities hun leefomgeving te verduurzamen. Provincies hebben de opbrengst van de verkoop van energiebedrijven gebruikt om fondsen in het leven te roepen die duurzame bedrijvigheid ondersteunen. Zuid-Holland onderzoekt al jaren of een groot warmtenet denkbaar is. Ze werken soms tegen heug en meug als uitvoerder van het Rijksbeleid mee aan de plaatsing van windparken. Momenteel worden colleges in gemeenten gevormd met soms ambitieuze duurzaamheidsparagrafen. Nijmegen had zich al voorgenomen in 2045 klimaatneutraal te zijn, maar heeft daarvoor nu ook beleid ontwikkeld. Ieder jaar starten er twee wijken die van het aardgas afgaan, er komt een transitiefonds, er komt een milieuzone om de luchtkwaliteit te verbeteren, het streven is om alle geschikte bedrijfsdaken te voorzien van zonnepanelen. En er is een wijk aangewezen waarin het transport vergaand verduurzaamd wordt.  Dat is geen representatief voorbeeld, maar geeft wel aan dat ook op gemeentelijk niveau de fase van doelen stellen opgevolgd wordt door die van aan de slag gaan.

Laat regio’s zelf bepalen welke concrete bijdrage ze willen leveren met een algemeen doel als klimaatneutraal in 2050

De tweede reden is dat de klimaatambities een vertaling naar de regio onvermijdelijk maken. Wijk voor wijk zal bezien moeten worden hoe we van het aardgas afgaan. Wind- en zonneparken moeten zorgvuldig in het landschap worden ingepast. De Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt, maar nu ook in de praktijk al wordt voorbereid,  schept ruimte voor de grote transitie-opgaven zoals voor energie en de aanpassing aan klimaatverandering.  

 

Hier komt nu het klimaatakkoord bij. We weten natuurlijk nog niet wat hier afgesproken gaat worden, maar in beginsel zijn twee benaderingen denkbaar. De eerste zou meer aansluiten bij het beleid vanuit het Energieakkoord uit 2013. Dan worden er centraal afspraken gemaakt: hoeveel willen we besparen in de gebouwde omgeving, hoeveel wind- en zonvermogen op land zijn er in 2030 gewenst? De regio is dan vooral aan zet om dit netjes uit te voeren. Regio's vinden deze aanpak minder gewenst en willen meer eigen speelruimte. Een provincie of op andere wijze gedefinieerde regio zou er dan bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om minder windturbines te plaatsen maar meer zonnepanelen. Of om nog meer in de gebouwde omgeving te besparen en helemaal geen windmolens meer te nodig te hebben. In de laatste denklijn zou de mogelijkheid van uitruilen nog verdergaand kunnen worden uitgewerkt: laat regio's zelf bepalen welke concrete bijdrage ze willen leveren met een algemeen doel als klimaatneutraal in 2050.  

 

Die laatste benadering zou lijken op het mondiale klimaatbeleid, waar pas beweging in kwam toen een centraal doel (niet meer dan 2 graden temperatuurstijging en liefst maar 1,5) werd gecombineerd met een vrijwillige aanpak: elk land bepaalt zelf welk doel het zich stelt. De achilleshiel van die benadering is natuurlijk dat je niet weet of de decentrale ambities wel optellen tot het gezamenlijke doel, nog los van de vraag of sommige ambities zoals die op het terrein van transport überhaupt zinvol regionaal zijn te vertalen. De stad Utrecht kan moeilijk eisen dat op het deel van de A2 op haar grondgebied de auto's aan bepaalde milieueisen moeten voldoen. In de praktijk zal er dus wel een combinatie van deze benaderingen gekozen gaan worden.  

 

Dat vereist een goede monitoring. Nationaal hebben we nog helemaal geen energie- of emissiestatistiek die regionaal is verbijzonderd op een wijze die aansluit bij de te maken afspraken. Maar daarvoor is een aanpak denkbaar. Overheidsinstituten als CBS en RVO.nl hebben al aangeboden op verzoek te willen bezien hoe een bruikbaar regionaal overzicht van energie en emissies is te maken, bijvoorbeeld door dat eerst in een regio uit te proberen. Gemeenten moeten sowieso warmteplannen gaan maken, dus betere regionale cijfers zijn hoe dan ook zinvol. Het PBL is al bezig zijn modellen voor de gebouwde omgeving zo aan te passen dat regio's er mee kunnen werken. Een volgende stap zou kunnen zijn om te bezien hoe het type informatie dat in de Nationale Energieverkenning beschikbaar komt een regionale vertaalslag kan krijgen. 

 

Een regionaal accent in het energie- en klimaatbeleid lijkt me een belangrijke vernieuwing. Belangrijk ook om de betrokkenheid van burgers te vergroten. Het zal nog veel doe- en denkwerk vragen dat goed in te vullen. Maar de bouwstenen lijken aanwezig. Laten we hopen dat de partijen bij het klimaatakkoord hun kans pakken. 

 

Pieter Boot is Hoofd sector Klimaat, Lucht en Energie bij het Planbureau voor de Leefomgeving