Terug naar overzicht
Rob Aalbers
24 februari 2014

“Haal CO2-rechten uit ETS bij energiebesparing” (2)

Feitelijke correctie over werking emissiehandel in nieuwe versie column Rob Aalbers

In een eerdere versie van deze column schreef ik dat het energiegebruik van de LED-lamp ook onder het ESD viel met als gevolg dat energiebesparing in sommige gevallen sprake zelfs kon leiden tot een stijging van de CO2-uitstoot. Dat is niet juist. Onder het ESD vallen alleen de schoorsteenemissies van de gebouwde omgeving. Ik dank Bram Borkent voor deze correctie.

 

 

Bram Borkent van Ecofys stelt in een reactie op mijn betoog dat "Energiebesparing spaarlamp weglekt in het emissiehandelssysteem" dat alle CO2-uitstoot in Europa uiteindelijk onder één plafond valt. Naast het emissiehandelssysteem voor bedrijven (ETS) is er namelijk ook een emissiehandelssysteem voor lidstaten, dat staat omschreven in de Effort Sharing Decision (ESD). Uiteindelijk heeft volgens Borkent ieder klimaatbeleid interactie met één van beide waterbedden en dat is - als we het op de keper beschouwen - helemaal niet erg.

Opnieuw blijkt dat de blinde vlek in het emissiehandelssysteem, waarover ik eerder met Catrinus Jepma en Arnold Mulder schreef, slecht wordt begrepen. Wat maar weer eens illustreert dat het Europese klimaatbeleid nodeloos ingewikkeld is. De kern van dit hardnekkige misverstand zit hem in de vraag of je door een formele of door een informele bril naar het Europese klimaatbeleid kijkt.

Eerst de formele bril. Onder het ETS vallen ongeveer 12.000 Europese installaties die veel CO2 uitstoten. De eigenaren van deze installaties hebben het recht om emissiecertificaten van elkaar te kopen of aan elkaar te verkopen. Alle ‘sectoren' die juridisch gezien niet bij het ETS horen, zoals landbouw, transport en de gebouwde omgeving, vallen onder de ESD, het emissiehandelssysteem voor lidstaten. Net als bedrijven kunnen lidstaten handelen in emissietekorten en -overschotten. Deze handel tussen bedrijven in het ETS en lidstaten in het ESD zijn de (formele) waterbedden waar Corbey en Borkent op doelen. Ze zijn door de wetgever bewust in het leven geroepen om de kosten van emissiereductie te minimaliseren.

Dan de informele bril. Hoewel huishoudens en het leeuwendeel van de bedrijven die LED-lampen installeren zelf niet deelnemen aan het ETS, heeft hun beslissing om een LED-lamp in gebruik te nemen wel degelijk invloed op het ETS. Veel van de installaties in de ETS produceren namelijk elektriciteit. Elektriciteit die via de elektriciteitsmarkt wordt verkocht aan klanten. Als die klanten, waaronder u en ik, minder elektriciteit afnemen, houden de installaties in het ETS emissiecertificaten over. Emissiecertificaten die eerst nodig waren om de elektriciteit voor de gloeilamp te produceren, zijn nu immers overbodig geworden. Dit is het informele waterbed van Aalbers, Jepma en Mulder. Dit informele waterbed is nooit bewust door de wetgever gecreëerd. Het is er gewoon, omdat de elektriciteitsmarkt er is en slechts een deel van de installaties die elektriciteit produceren onder het ETS vallen. Kenmerkend voor dit informele waterbed is dat er geen handel plaatsvindt in emissiecertificaten tussen enerzijds diegene die de LED-lamp in gebruik neemt en anderzijds de elektriciteitsproducent. In tegenstelling tot het formele waterbed leidt het informele waterbed dan ook niet zonder meer tot kostenminimalisatie. In het geval van de LED-lamp is dit onmiddellijk duidelijk: u koopt die niet omdat dit de efficiënste manier is om binnen de ETS CO2 te reduceren, maar omdat er een verbod is op gloeilampen.
"De noodzaak om de bezem eens goed door de Europese beleidskast te halen blijft onverminderd groot"

Wat geldt voor de LED-lamp, geldt ook voor de energiezuinige televisie, koelkast, wasdroger, etc.  Alle elektriciteitsbesparing leidt, via het informele waterbed van de elektriciteitsmarkt, namelijk tot vrijval van emissierechten in de ETS.

De noodzaak om de bezem eens goed door de Europese beleidskast te halen blijft dan ook onverminderd groot. De gulden regel daarbij is dat de verplichting om onder het emissieplafond te blijven allesbepalend is voor de CO2-uitstoot. Extra maatregelen voor elektriciteitsbesparing (uw LED-lamp) leiden alleen tot permanente energiebesparing als de vrijgevallen emissiecertificaten uit de markt worden genomen. Bram Borkent en ik vinden elkaar dan ook volledig in de opvatting dat hiervoor een structurele oplossing zou moeten komen.

 

Zo'n structurele oplossing betekent wel dat energiebesparing maatschappelijk gezien duurder wordt. Immers, naast het feit dat energiebesparing op zichzelf rendabel moet zijn, moet het uit de markt nemen van emissiecertificaten door iemand bekostigd worden.

Wellicht nog belangrijker dan de structurele oplossing is de vraag of Europa er ooit in zal slagen om het huidige stuwmeer van emissiecertificaten uit de markt te nemen. Ik ben daar sceptisch over, Bram Borkent blijkbaar veel minder. Maar wat vinden de marktdeelnemers er zelf eigenlijk van? Hoe groot achten zij de kans dat er substantiële hoeveelheden emissiecertificaten uit roulatie worden genomen? Een manier om daar achter te komen is te kijken naar recente veranderingen in de CO2-prijs. Als de markt er immers van overtuigd is, dat er de hoeveelheid emissiecertificaten in de toekomst structureel zal afnemen, dan moet dat nu al zijn weerslag vinden in de CO2-prijzen. Toekomstige schaarste is immers ook huidige schaarste. Als we naar de spotprijs van CO2 kijken, dan zien we dan deze de afgelopen maanden met ongeveer één euro is gestegen. Blijkbaar zijn marktpartijen net zo pessimistisch - of misschien moet ik het realistisch noemen - als ik.

Rob Aalbers is econoom en programmaleider bij het Centraal Planbureau. Hij schrijft zijn columns op persoonlijke titel.