Terug naar overzicht
Martien Visser
13 juni 2018

Lessen uit Scandinavië: we hebben een zesde klimaattafel nodig

Martien Visser over het naar Scandinavisch voorbeeld maken van een plan voor de export van Nederlandse kennis en kunde op het gebied duurzame energie

Met enige regelmaat kijken we jaloers naar onze Scandinavische vrienden. Denemarken zit op 35 procent hernieuwbare energie, Zweden op 55 procent en Noorwegen op 70 procent. Deze landen hebben een stabiel energiebeleid, langjarige ontwikkelpaden en zijn bezig met baanbrekende technologieën.

 

Nederland zit op 7 procent, heeft geen lange ontwikkelpaden en geen baanbrekende technologieën. Het lijkt ons niet te interesseren. Om het meest pijnlijke maar even te benoemen: terwijl we koploper waren, stopten we met windenergie. Denemarken ging verder. Deense bedrijven als Vestas en Ørsted zijn wereldspelers geworden. Doen we het nu beter? Een vergelijking tussen het Nederlandse en het Noorse onderzoeksprogramma naar CCS laat dat niet zien, zie mijn eerdere column. Kruimelwerk.

 

De Scandinavische landen zijn zuinig op hun energiebedrijven. Nederland verkocht Essent en Nuon aan de hoogste bieder. Binnenkort volgt Eneco. Denemarken fuseerde haar staatsbedrijf Dong (olie en gas) met de Deense elektriciteitsproducenten tot Dong Energy. En men ging aan het werk. Al in 1991 verscheen in Denemarken het eerste offshore windpark, vervolgens is deze technologie stelselmatig verbeterd. Dong Energy heet sinds kort Ørsted, als teken van haar nieuwe duurzame toekomst.

 

Op dezelfde wijze heeft Noorwegen Equinor (voorheen Statoil) gevormd. Equinor werkt nu aan spectaculaire drijvende windturbines, waterstof en CCS. Het eveneens Noorse Statkraft is bekend van waterkracht, maar werkt ook aan zonPV. Zweden heeft haar staatsbedrijf Vattenfall via acquisities een internationale allure gegeven. Vattenfall is vooral bekend van offshore wind, maar werkt ook aan waterstof ten behoeve van staalproductie. Kenmerkend is dat de Scandinavische (staats)energiebedrijven bijzonder innovatief zijn en daarnaast ook internationaal zeer actief zijn.

We moeten opschalen, doorontwikkelen, fouten maken, kant en klare producten in de markt zetten en die blijven verbeteren

Vattenfall bouwt bijvoorbeeld in Nederland het eerste subsidieloze offshore windpark ter wereld. Administratief telt dat als een Nederlands succes. Maar uiteraard is het Vattenfall aan wie deze ronduit spectaculaire ontwikkeling te danken is. Evenzo is Equinor met haar bijzondere drijvende windturbines actief in de UK en de USA, terwijl het eveneens Noorse Statkraft in Spanje het eerste Europese subsidieloze zonnepark bouwt. Ørsted bouwt haar innovatieve windparken niet alleen in Denemarken, maar is ook succesvol in Duitsland, Nederland, de USA en Taiwan.

 

De Scandinavische landen dragen via hun buitenlandse activiteiten bij aan de beperking van de mondiale CO2 emissies. Het leidt ook tot nieuwe business. Denemarken heeft een derde van het aantal inwoners van Nederland. Er werken nu 85.000 mensen in de windindustrie. Het is ook winstgevend. De belastinginkomsten voor de Deense overheid in 2016 op de winst van de Deense windenergieactiviteiten is gelijk aan 500 euro per Deens huishouden. U leest het goed: dat is evenveel als de Nederlandse overheid in 2016 jaar per huishouden ontving aan aardgasbaten. Niet voor niets is de export van energietechnologie volwaardig onderdeel van het Deense duurzame energiebeleid. Denemarken sluit in dit kader ook samenwerkingsovereenkomsten met andere landen.

 

Heeft Nederland een programma dat we kunnen vergelijken met offshore wind in Denemarken? Of met CCS in Noorwegen? Dragen wij als offshore land bij uitstek misschien bij aan de ontwikkeling van drijvende windturbines, die straks de oceanen moeten gaan bevolken? En waar zijn onze demonstratieprojecten met waterstof? Of laten we die ontwikkelingen over aan anderen? En importeren wij te zijner tijd de technologie dan wel? Enne...., hoe internationaal denken we eigenlijk?

 

Recent suggereerde Prorail om Europees actief te worden. Een logische gedachte. Wie wel eens in het buitenland met de trein reist, weet hoe goed we het spoor in Nederland voor elkaar hebben. Prorail kan dus treinreizen in andere landen aantrekkelijker maken. Dat scheelt daar autoverkeer en daarmee CO2-emissies. Daarnaast draagt een meer Europese focus van spoorbedrijven bij aan verbetering van het internationale treinverkeer. Dat scheelt al ons snel een Lelystad Airport. De complimenten voor Prorail, met een bos bloemen van de minister, zou je verwachten. Maar nee. Nederlandse politici buitelden over elkaar heen met de boodschap dat Prorail vooral achter de dijken moest blijven. Niemand die het arme Prorail bijval gaf. Andere landen zoeken het zelf maar uit, zo lijkt de onderliggende gedachte. Gaan we zo het klimaat redden?

 

Terug naar Scandinavië. Waar kunnen we verbeteren? In de eerste plaats, laten we vaststellen met welke technologieën we als Nederland een wereldwijde bijdrage kunnen leveren aan het terugdringen van CO2-emissies. Denk aan geothermie, waterstof, CCS, windenergie-eilanden en/of drijvende windturbines. Op al die terreinen heeft Nederland veel kennis en kunde in huis. Wanneer we een klein deel van de SDE-miljarden gebruiken, kunnen we grootschalig instappen. En dan niet versnipperd, maar geconcentreerd. Waterstof doen we in Groningen. Enzovoorts.

 

In de tweede plaats de uitvoering. Adviesbureaus en universiteiten met hun laboratoria zijn nuttige partners, maar er is meer dan rapporten en proefschriften. Er moet in de praktijk gebouwd worden en geëxperimenteerd. We moeten opschalen, doorontwikkelen, fouten maken, kant en klare producten in de markt zetten en die blijven verbeteren. Welke stad in Nederland wil per 2020 volledig op waterstof? Zoiets levert pas snelle ontwikkelingen op, die gewenst zijn. Nederland heeft geen eigen (staats)energiebedrijven, zoals de Scandinavische landen. Reden om de uitvoering extra goed voor de bril te hebben en afspraken te maken met de partijen die de verantwoordelijkheid voor deze belangrijke taak op zich moeten nemen.

 

Tot slot de internationale focus. Nederland produceert 0,5 procent van de mondiale CO2-emissie. Daarover praten we aan vijf klimaattafels. Laten we echter de overige 99.5 procent niet vergeten. Buitenlandse CO2 is net zo schadelijk als eigen CO2. Kunnen we hiertoe wellicht een zesde klimaattafel inrichten. Het doel daarvan is, naar Scandinavisch voorbeeld, een concreet plan te maken voor de export van Nederlandse duurzame energiekennis, -kunde en -producten naar het buitenland.

 

Martien Visser is lector energietransitie & netintegratie, Hanzehogeschool Groningen en Senior Advisor International Business bij Gasunie. Hij schrijft zijn column op persoonlijke titel. Zijn mening komt niet noodzakelijkerwijs overeen met die van de Hanzehogeschool of Gasunie.