Terug naar overzicht
Heleen de Coninck
12 februari 2014

"Pas CO2-afvang en -opslag alleen daar toe waar het moet"

Heleen de Coninck: "Wees terughoudend met nieuwe kolencentrales, maar zet voor de zware industrie, bestaande moderne centrales en biomassatoepassingen wel in op CCS"

De afvangst en opslag van koolstofdioxidetechnologie is binnengehaald als innovatiekans en redder van onze economie in tijden van klimaatverandering. Maar deze techniek (in het Engels CO2 capture and storage, afgekort tot CCS) is ook verguisd als gevaarlijk experiment en als troef ingezet in politieke strijd. Is de CCS goed voor onze kenniseconomie of is het geld onder de grond stoppen?

 

Ten eerste is er de vraag of CCS wel nodig is. Interessant genoeg hebben zowel voor- als tegenstanders van CCS daarover gelijk, maar wel allemaal in hun eigen wereld. Wie gelooft dat klimaatverandering en het energieprobleem met andere, aantrekkelijkere energieopties kunnen worden opgelost, vindt CCS niks. Wie echter een wereld voor zich ziet waarin het gebruik van fossiele brandstoffen de komende decennia hoog blijft, vindt CCS nodig om de CO2-uitstoot fors te verminderen. Het is maar waar je in gelooft.

“Bij CCS is er de reflex om gelijk aan kolencentrales te denken”

Volgens het Energieakkoord hebben we in Nederland in 2020 14 procent duurzame energie. Met een beetje kernenergie erbij zitten we dan nog op ruim 80 procent energie uit kolen, gas en olie. De mensen die in het tweede wereldbeeld geloven, lijken voorlopig dus gelijk te krijgen.

 

Daarnaast is er de reflex om bij CCS meteen aan kolencentrales te denken, waardoor het een concurrent is van hernieuwbare energieopties zoals wind- en zonne-energie. Veel van de Nederlandse CO2-emissies komen echter van de energie-intensieve industrie, zoals staalfabrikanten, raffinaderijen of de chemische industrie. CCS is daar goed toe te passen, vaak zelfs goedkoper dan bij kolencentrales. Deze industrieën hebben weinig andere opties dan CCS om hun emissies met de tientallen procenten te reduceren die nodig zijn voor klimaatdoelen. Hernieuwbaar is hier een veel minder realistische mogelijkheid dan bij elektriciteitsproductie.

 

Door zigzagbeleid is in de afgelopen jaren veel verwarring ontstaan. Het kabinet-Balkenende IV had een duidelijke visie op CCS: ‘we hebben het hard nodig, dus we moeten investeren'. Echter, de communicatie rondom het CCS project in Barendrecht was klunzig en heeft er volgens onderzoek aan bijgedragen dat er weerstand kwam. Die weerstand verbreedde zich over heel Nederland. Voor politieke partijen werd het toen wel erg verleidelijk om kritische uitlatingen over de techniek te doen. Partijen als het CDA, D66 en de PvdA zijn steeds sceptischer geworden over CCS. Dit terwijl er geen ramp is gebeurd, geen nieuwe gegevens zijn verschenen en de noodzaak voor CCS niet is verminderd.

 

Integendeel: het schiet met andere opties voor emissiereductie maar niet op. In plaats van dat de politiek de leiding neemt, brandt ze haar vingers liever niet aan deze technologie. 

“Het eerdere gezwalk en de huidige struisvogelpolitiek zaaien vooral verwarring”

Het bizarre politieke gevolg is dat het CCS-beleid van economieministers Kamp (VVD) en Verhagen (CDA) het tegenovergestelde is geworden van dat van hun voorganger, Maria van der Hoeven (CDA). De beslissing om CCS alleen op zee te doen, jaagt de belastingbetaler op extra kosten, met als enig doel om publieke weerstand te vermijden die onder verantwoordelijkheid van Van der Hoeven is veroorzaakt.

 

De vraag over CCS in Nederland moet met een helder hoofd worden onderzocht en beantwoord. Idealiter wordt, met inbreng van lokale politici en burgerbewegingen, een partij-overstijgende consensus over CCS gevormd. Daar wordt nu geen enkele poging toe gewaagd; de politiek en ministeries hebben het liever niet over CCS. Maar ook zou die CCS-beleidsagenda op argumenten gestoeld moeten zijn, in plaats van op wat politiek toevallig het beste uitkomt.

 

Bijvoorbeeld: wees terughoudend met nieuwe kolencentrales, maar zet voor de zware industrie, bestaande moderne centrales en biomassatoepassingen juist wel in op CCS.

 

Bovenal moet een CCS-agenda rechtdoen aan zowel de enorme uitdaging van het voorkomen van klimaatverandering als aan de noodzaak om onze energievoorziening ingrijpend te hervormen. Het eerdere gezwalk en de huidige struisvogelpolitiek zaaien vooral verwarring, en laat de burger in de illusie dat diepe CO2-emissiereducties in Nederland met behoud van onze industrie zonder CCS een optie is. Daarmee voorkomt het dat CCS op een verantwoorde manier, namelijk alleen daar waar het echt nodig is, wordt toegepast.

 

Heleen de Coninck is universitair hoofddocent bij het Institute for Science, Innovation & Society (ISIS) aan de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica van de Radboud Universiteit en fellow bij de Wiardi Beckmanstichting.