Zoeken

Consument moet betalen, niet de burger

Auteur

Frans Rooijers

Wentel de kosten van de energietransitie niet af op de burger, maar laat de industrie deze doorrekenen aan de afnemers van haar producten betoogt Frans Rooijers. Hij signaleert dat een nationale heffing op CO2 uitstoot al snel een nadelig effect heeft op de Nederlandse concurrentiepositie.

De “gewone man” moet betalen, het is onvermijdelijk. Maar het hoeft bij elkaar niet veel meer te zijn, in ieder geval niet veel meer dan de gewone man nu al betaalt voor energie. Toch moet schone energie goedkoper worden dan fossiele energie, en dat kan alleen als fossiele energie duurder wordt. Tijdelijk kan met subsidie het verschil worden overbrugd, de kostprijs van schone energie kan door innovatie nog omlaag, maar uiteindelijk is het onvermijdelijk dat de uitstoot van CO2 geld gaat kosten. En dat moet de gewone man (en vrouw) gaan betalen, wie anders? Het is niet een keuze tussen de ‘vervuilende industrie’ en de onschuldige consument. De consument is afnemer van de producten, die op dit moment te goedkoop worden aangeboden omdat de kosten van CO2-emissie niet in rekening worden gebracht. Die wentelt de industrie af op de samenleving en de schadekosten daarvan, zoals extra dijkverhoging, worden betaald door ons allemaal.

Er is een paradox als het gaat om de kosten van de energievoorziening. Als we geen klimaatbeleid voeren, zal de vraag en de prijs van fossiele energie blijven stijgen. De geschatte kosten van het Nederlandse energiesysteem kunnen 40 tot 80 miljard euro bedragen in 2050, sterk afhankelijk van de brandstofkosten. Maar als we een ingrijpend klimaatbeleid gaan voeren, neemt de prijs van fossiele energie af, doordat er minder vraag is. Duurzame energie lijkt dan veel duurder en de perceptie is dat een dergelijke energievoorziening veel duurder is dan de fossiele energievoorziening. Terwijl een klimaat neutrale energievoorziening in 2050 ook 45 a 75 miljard euro per jaar zal kosten.

1903-fransrooijers-illus-jaarlijkse-kosten

De kosten zijn dan veel meer afhankelijk van kapitaallasten voor zon, wind, opslagsystemen, infrastructuur en slechts in beperkte mate afhankelijk van een mondiale energiemarkt (die dan gebaseerd zal zijn op bijvoorbeeld waterstof in plaats van aardolie). Het verschil in kosten, alleen voor aardgas in 2019 ten opzichte van 2018, ten gevolge van de stijging van de aardgasprijs (7 euro per MWh) op de markt bedraagt voor Nederland circa 3 miljard euro op jaarbasis, dus los van de hogere energiebelasting. Net zoveel als de door PBL ingeschatte kosten voor het klimaatbeleid in 2030. Dat zijn fluctuaties die de markt dicteert en waar de politiek geen invloed op heeft.

“Nederlandse CO2-heffing benadeelt onze industrie, mondiale prijsstijging niet”

Belangrijk verschil tussen deze prijsverhoging en de discussie over een CO2-heffing, is dat de fossiele prijsverhogingen wereldwijd gelden en dat alle industrieën er in gelijke mate last/voordeel van ondervinden. Met een CO2-heffing voor de industrie die alleen door Nederland wordt ingevoerd, is dat niet het geval. Als een heffing van 10 euro per ton CO2 wordt ingevoerd, dan moet bijvoorbeeld Tata daardoor ongeveer 120 miljoen euro per jaar betalen (een kwart van hun jaarwinst) en Arcellor Mittal, net over de grens in België, niet. Als die 120 miljoen euro vervolgens wordt teruggesluisd naar de industrie om energie/CO2-besparende maatregelen mee te treffen, dan kan per saldo de last voor de industrie beperkt blijven. Maar voor specifieke bedrijven, die niet gelijk maatregelen kunnen treffen, kan dat toch tot moeilijkere concurrentieverhoudingen leiden. Tata zou een forse hoeveelheid CO2 kunnen afvangen en opslaan, waardoor de heffing fors lager wordt, mede door de terugsluis uit die heffing.

1903-fransrooijers-illus-concurrentie

Bij een heffing boven de 20 euro per ton zijn de negatieve effecten voor de industrie moeilijk te compenseren en zullen er grensverrekeningen moeten plaatsvinden (border tax adjustments), en dat kan alleen op Europees niveau. Dus de speelruimte om een effectief klimaatbeleid te voeren en de industrie te laten vernieuwen is klein. Maar dat betekent niet dat het Rijk, wij allen dus, de rekening moeten betalen.

De zoektocht moet gericht zijn op het doorberekenen van de externe kosten aan de consument. Met de Vergoeding Externe Kosten (VEK) heeft CE Delft vorig jaar een eerste poging gedaan. Als het de industrie serieus is om zijn bijdrage aan de klimaatemissies te reduceren en processen te vernieuwen, dan moeten dit soort systemen door hen en met hen serieus worden uitgewerkt, ook al zijn ze ingewikkeld. Want makkelijke oplossingen zijn er niet.

Frans Rooijers

Frans Rooijers is Directeur van CE Delft