Zoeken

Is Nederland het slechtste jongetje van de klas?

Auteur

Pieter Boot

Hoe komt het toch dat Nederland in Europa op de laatste plaats staat met duurzame energie? En wat is daar aan te doen? Pieter Boot geeft antwoord.

Kranten wisten het onlangs echt zeker: ’Nederland is in EU minst duurzaam’ kopte NRC-Handelsblad op de voorpagina van 24 januari. Is dit echt waar, hoe komt het dat dat het geval is en kan Nederland die lage stand op de ranglijst kwijtraken door een consequente uitvoering van het Klimaatakkoord? De kop was een vertaling van recente cijfers van Eurostat over de productie van hernieuwbare energie. In december had het Europees Milieu Agentschap (EMA) al iets soortgelijks gesteld. Jarenlang behoorde Nederland, als het gaat over het aandeel hernieuwbare energie, tot de laagste drie landen op de lijst (met Luxemburg en Malta), maar in 2018 waren we echt naar de allerlaagste plaats gezakt: 7,4% hernieuwbare energie in 2018 tegen 18% gemiddeld in de EU.

Nu zegt dit op zich niet zoveel. Nederland heeft geen bergen en dus weinig gelegenheid om elektriciteit door waterkracht op te wekken. Het is relatief dicht bewoond en daarom is er minder plaats voor windturbines of eigen productie van biomassa. Alleen het ontbreken van waterkracht al betekent ruwweg zo’n 10% minder hernieuwbaar opgewekte elektriciteit. Maar het achterliggende verhaal geeft de critici van de Nederlandse prestaties toch wel enigszins gelijk. Ook de afstand tot het Europese doel voor 2020 is in Nederland het grootst van alle EU lidstaten.

De EU in zijn geheel heeft zich ten doel gesteld om te groeien naar 20% in 2020. In 2005, het jaar dat bij het begin van de onderhandeling over de richtlijn in ogenschouw werd genomen, was dat 9%. De benodigde inspanning om dat doel te bereiken is in alle landen ongeveer hetzelfde: er moet ruwweg 12 procentpunt bij ten opzichte van het aandeel hernieuwbare energie in 2005.

“De traagheid van de Nederlandse voortgang zien we goed als we Nederland met België vergelijken”

Nederland had een wat hogere ambitie en wilde het aandeel in deze periode laten toenemen van 2,4 naar 14%. In Frankrijk moest het bijvoorbeeld van 10,3 naar 23% toenemen en in Denemarken van 17 naar 30%. De traagheid van de Nederlandse voortgang zien we goed als we Nederland met België vergelijken – voor sommige Nederlanders toch geen toonbeeld van krachtig nationaal bestuur. België had in 2005 2,2%, iets minder dan Nederland. Het Belgische doel is een procentpunt lager dan het Nederlandse: 13%. In 2010 had België al 6% hernieuwbare energie gerealiseerd, tegen Nederland 3,9. België moest er toen nog tien jaar over doen om er 7 procentpunt bij te krijgen, Nederland moest in diezelfde periode van 2010 tot 2020 meer dan 10 procentpunt groei realiseren. Kortom, Nederland moest in hetzelfde aantal jaren een grotere inhaalslag maken dan België. De toename van het aandeel hernieuwbare energie was in de afgelopen jaren in Nederland ook iets groter dan in België, maar nog altijd te laag om België te kunnen inhalen. Voor Nederland wordt dan ook verwacht dat het doel niet gehaald wordt – PBL raamt dat we op 11,4 procent blijven steken – terwijl de EU als geheel het lijkt te halen.

Hernieuwbare energie is natuurlijk maar een onderdeel van de transitie naar een koolstofarme economie. Belangrijker daarom is hoe het gaat met de broeikasgasemisssies (BKG). Daar is iets wonderlijks aan de hand. Formeel wordt Nederland in Europa afgerekend op de reductie van BKG buiten het systeem van Europese emissiehandel, dus op de reducties in de gebouwde omgeving, het transport en het midden- en kleinbedrijf. In de zogenoemde Effort Sharing Decision is vastgelegd dat Nederland deze emissies in 2020 met 16% moet hebben gereduceerd ten opzichte van 2005. Dat doel voor 2020 haalt Nederland, verwacht PBL. Inzake het afgesproken doel voor 2020 heeft de Europese Commissie niet te klagen over Nederland – anders dan bijvoorbeeld Duitsland waar dit niet wordt gehaald.

“Hernieuwbare energie is natuurlijk maar een onderdeel van transitie naar koolstofarme economie”

Maar Nederland heeft het zichzelf – net als veel andere Europese landen - hier veel moeilijker gemaakt door, bovenop de Europese doelen, ook een doel te formuleren voor alle broeikasgasemissies (BKG). Dat is niet verwonderlijk – we voelen ons verantwoordelijk voor wat er op ons grondgebied gebeurt, los van de administratieve status daarvan – maar was niet zo binnen Europa afgesproken. Eerst zette de rechter in 2015, in de Urgenda-klimaatzaak, voor de BKG-emissies in 2020 deze stap. Daarna deed het kabinet, in het regeerakkoord 2017-2021, hetzelfde voor 2030. En tot slot formuleerde de Klimaatwet uit 2019 zo’n breed doel voor 2050.

Kijken we naar die doelen voor alle BKG-emissies, dan scoort Nederland vooralsnog veel slechter dan het Europees gemiddelde. Op basis van voorlopige schattingen, stelde het EMA in december dat de EU tussen 1990 en 2018 de BKG met 23,5% had gereduceerd, tegenover Nederland 15% in dezelfde periode. Ook hier hangt dit samen met een trage start. In 2010 had Nederland 7,7% gereduceerd, tegen 17,2% in heel Europa. Vanaf 2010 is de Nederlandse reductie hier dus ongeveer gelijk aan die in heel Europa, maar we begonnen later vaart te maken. Ook de samenstelling ervan is anders. In de EU gaat de daling van broeikasgassen al vanaf 1990 samen met die van het belangrijkste onderdeel ervan, CO2. In Nederland stegen de CO2- emissies aanvankelijk en kwam de reductie volledig op het conto van overige broeikasgassen zoals methaan en lachgas. Na 2010 verandert dit en dalen ook in Nederland alle emissies.

“Het hernieuwbare energiedoel halen we niet omdat we te laat begonnen vaart te maken”

Terug naar de vraag: is Nederland het slechtste jongetje van de klas? De NRC had dus grotendeels gelijk met de kop dat Nederland hekkensluiter is. Hernieuwbare energie is daarbij niet de centrale indicator, de reductie van BKG-emissies wel. Het hernieuwbare energiedoel halen we niet omdat we te laat begonnen vaart te maken. De totale gerealiseerde reductie ten opzichte van 1990 was hier in 2018 twee derde van de Europese.

De Nederlandse ambitie is echter aanmerkelijk groter dan de Europese. Nederland wil van 2018 naar 2030 de emissie van 15 naar 49% laten dalen. Europa houdt het op een reductie van 23,5 naar 40%. Opmerkelijk is dat als bijvangst van deze Nederlandse ambitie ook het aandeel hernieuwbare energie snel omhoog zal gaan. De verwachting van PBL is dat dit bij uitvoering van het Klimaatakkoord zal stijgen via 11,4% in 2020 naar maar liefst 30 tot 32% van het finaal energieverbruik in 2030. Onze bergen staan immers in de Noordzee. Dat is een enorme opgave, maar als we nu wel doen wat we hebben afgesproken, zullen we op het gebied van hernieuwbare energie de Europese achterhoede verlaten. Maar dan moeten we wel een les uit het verleden trekken: direct in volle omvang met de uitvoering beginnen.

Pieter Boot

Pieter Boot is hoofd sector Klimaat, Lucht en Energie bij het Planbureau voor de Leefomgeving