De NEC bestaat sinds 2018. In dat jaar fuseerden drie bestaande noordelijke stichtingen: het noordelijke samenwerkingsverband van provincies en bedrijven Energy Valley; de Energy Academy Europe van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en Hanze Hogeschool én het Energy Delta Institute, een business school. Sindsdien is veel gebeurd. Marieke Abbink, daarvóór directeur-bestuurder van maatschappelijk dienstverlener RBO, kreeg bij haar aantreden als eerste opdracht om de drie samenstellenden delen van NEC tot één organisatie om te smeden. Kort daarna ging het land in lock-down als gevolg van de Coronacrisis, waardoor ook het gloednieuwe duurzame onderkomen van NEC, gevestigd op de Zernike-campus van de RUG en de Hanze Hogeschool, tijdelijk moest sluiten. Opmerkelijk genoeg bleek dat een geluk bij een ongeluk.
Marieke Abbink: “Achteraf kun je stellen dat de lockdown, ondanks alle nadelen, ook een handje heeft geholpen om die opdracht tot een succesvol einde te brengen. De medewerkers van de drie stichtingen waren al gehuisvest als aparte “bloedgroepen” in het gebouw van de Energy Academy Europe. Dat was in één keer afgelopen, want iedereen moest thuis werken. En er kwamen nieuwe medewerkers bij, die natuurlijk niet gehinderd werden door enige gedachte aan bloedgroepen.”
“Ik zag het als mijn taak om met name het human capital-deel van NEC te versterken, want er was op dat vlak nog niet zoveel toen ik begon. En dat was ook hard nodig. Het Noorden ziet voor zichzelf een hoofdrol weggelegd bij de ontwikkeling van een waterstofeconomie. Om dat waar te kunnen maken is her- en omscholing een onmisbare factor. Daarom hebben we om te beginnen vertegenwoordigers en studenten van het WO, het HBO en het MBO bij elkaar gezet. Die kenden elkaar helemaal niet. Zo heeft NEC het project Waterstof Werkt ontwikkeld, waarin MBO, HBO, WO én het bedrijfsleven samen optrekken. Niet zozeer met het doel om studenten door te laten stromen naar een hoger niveau, maar om te leren welke specifieke kennis alle betrokkenen kunnen inbrengen.”
Hoe werkt dat in de praktijk?
“Een goed voorbeeld is de bouw van een waterstofboot, gezamenlijk door studenten van MBO, HBO en WO. Het is interessant te zien hoe dat gaat. De mensen van de universiteit willen vooral eerst analyseren, de HBO’ers klappen hun laptop open en de MBO’ers grijpen naar de gereedschapskist. We hebben vooral hard gewerkt om het MBO aan te laten haken. We moeten echt beseffen dat de energietransitie niet kan slagen zonder inbreng van MBO’ers.”
Vindt daardoor ook kruisbestuiving plaats? Theoretisch geschoolden die meer oog krijgen voor de praktische consequentie van hun ideeën en praktisch geschoolden die zo de theorie achter de uitvoering leren begrijpen.
“Dat gebeurt niet zozeer in studententeams maar meer vanuit de onderwijsinstellingen. Er zijn verschillende programma’s waarin een hoogleraar, een HBO-lector en hun evenknie in het MBO, een practor, samenwerken. Het opmerkelijke is dat die mensen vaak in dezelfde collegebanken hebben gezeten, na hun afstuderen een andere afslag hebben genomen en nu elkaar weer hebben gevonden. Deze manier van werken is hier in het Noorden nu de standaard. Ik durf te zeggen dat we op dit vlak als een voorbeeld voor de rest van Nederland gelden.”
Kan je een voorbeeld van zo’n programma geven?
“We zijn bezig om een Hydrogen Valley Campus te bouwen. Dit programma omvat diverse projecten rondom de waterstofketen, waarvoor zo’n zeventig miljoen is gereserveerd. Het onderstreept onze ambitie dat iedereen die energie wil studeren, haast automatisch voor het Noorden zal kiezen.”
Wat is het uiteindelijke doel? Iets wat vergelijkbaar is met Brainport Eindhoven, maar dan op energiegebied?
“Dat zou mooi zijn, maar het ligt hier wel wat ingewikkelder. In Eindhoven identificeert iedereen zich met één merk, tot de ziekenhuizen aan toe: Brainport. In Groningen is de aandacht meer versnipperd. Je hebt naast energie onder andere healthy ageing en AI en het is allemaal belangrijk. Er moet op bestuurlijk niveau dus wel het een en ander gebeuren voordat de merknaam die wij hier intern hanteren, Energy Port Groningen of Energiek Groningen, breder wordt gedragen. Keuzes maken, dáár gaat het om. En dat is altijd lastig.”
De nadruk ligt binnen NEC op duurzame energie. Projecten hebben betrekking op de ontwikkeling van waterstof, groen gas, batterijen, enzovoort. Ziet de NEC het primair als haar missie om bij te dragen aan een klimaatneutrale energievoorziening?
“We zien het anders. Onze opdracht is vanuit energie bij te dragen aan de ontwikkeling van de regionale economie en brede welvaart. Onze projecten moeten daarbij passen. Deze visie vloeit voort uit de manier waarop veelal tegen de energietransitie wordt aangekeken. Die is voor veel mensen heel abstract. We moeten het daarom concreet en kleiner maken. Het uitgangspunt moet een betere, comfortabele, betaalbare en bij voorkeur groene energievoorziening zijn. In die volgorde.”
“Vroeger stelden we de energiesector centraal, maar dat bleek een te beperkte insteek. Energie zit in het hele systeem; het is een ’enabler’ van de economie. Door het zo te benaderen bereik je alle mensen, niet alleen de sector. Dankzij deze transformatie haken partijen nu gemakkelijker aan. De functie van de NEC is daarbij nog steeds krachten te bundelen, zonder dat de specifieke rollen van de provincie, de kennisinstellingen en de bedrijven vervagen. Als je de ‘wicked problems van deze tijd – energieonafhankelijkheid, veiligheid – wilt oplossen, dan zul
je je moeten verenigen.”
Uiteindelijk draait alles om geld; zonder verdienmodel gebeurt er weinig. Lukt het om de benodigde subsidies en investeringen binnen te halen?
“Voor de investeringen hebben we de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij (NOM). Wij zijn vooral bezig met kennisontwikkeling en business development. Daarvoor werken we uiteraard nauw met de NOM samen. De verdere ontwikkeling van de Eemshaven staat daarbij centraal, want daar moet het gebeuren. Wij brengen de betrokken partijen samen om uit te vinden wat nodig is en om voor investeerders als het ware de groene loper uit te rollen. Er ligt inmiddels een investeringsagenda voor waterstof van tien miljard. Daarvoor hebben wij een plan opgesteld, Nieuwe Energie voor Groningen geheten, waarin zes randvoorwaarden zijn opgenomen waaraan die agenda moet voldoen. De belangrijkste is dat minimaal een derde tot de helft van alle offshore windenergie zou moeten aanlanden in de Eemshaven, anders zal hier op dit gebied niet veel gebeuren. En dat lijkt te gaan lukken, want ook het Rijk heeft hiervoor gekozen. We maken ons hard om hiervoor een onderzeese tunnel te bouwen, zodat de ecologische verstoring tot een minimum blijft beperkt. Dat is een enorm project, qua grootte vergelijkbaar met de Kanaaltunnel, dat we echt nodig hebben om bedrijven als RWE en Equinor aan boord te houden.”
“De volgende stap is dat de inwoners van deze regio ervan profiteren. We moeten niet vergeten dat de energiearmoede in Oost-Groningen het hoogste is van heel Nederland. Dat is wrang, omdat hier zoals bekend heel veel geld is verdiend met het aardgas. Om daar iets aan te doen, heeft de NEC het initiatief genomen tot oprichting van het Industriecluster Oost-Groningen, waarvoor energie-intensieve bedrijven in deze regio met onze hulp samenwerken om hun energiegebruik te verduurzamen.”
Er zijn ideeën en plannen genoeg, maar de betrokken bedrijven stellen zich terughoudend op, omdat het investeringsklimaat in Europa, met inbegrip van Nederland, de laatste jaren behoorlijk is verslechterd.
“Dat klopt maar we moeten oppassen dat we onszelf niet in de put praten. Andere landen kampen met dezelfde problemen als wij. Als ik in Brussel kom, merk ik dat ze ons met de Eemshaven nog steeds als voorloper beschouwen. En niet alleen in Brussel. Equinor is partner van de NEC geworden, juist omdat ze de mogelijkheden in en rond de Eemshaven beter willen leren kennen. Hoe werkt het in Nederland? Hoe komen we in contact met essentiële partijen zoals provincies, andere bedrijven en kennisinstellingen? Die expertise hebben wij.”
Binnen de energietransitie is al jaren een richtingenstrijd gaande. Alles elektrisch of (ook) gas, wel of geen kernenergie, wel of geen biomassa. Hoe staat NEC daarin?
“Neutraal. Voor het energiesysteem van de toekomst moeten we alle opties openhouden. We hebben niet de luxe om aan de voorkant een of andere energievorm uit te sluiten. Ik maak me daar al langer zorgen over, al heb ik goede hoop dat het nieuwe kabinet afstapt van de eenzijdige nadruk op elektriciteit. In het Industriecluster Oost-Groningen zitten bedrijven die met hogetemperatuurwarmte werken, die kunnen daardoor helemaal niet overstappen op elektriciteit. Voor deze bedrijven is netcongestie niet het probleem; die hebben een alternatief nodig. Het is geen verrassing dat zij naar waterstof kijken. We moeten ook onder ogen zien dat de uitfasering van aardgas langer zal duren dat we aanvankelijk dachten. Kortom, we houden een systeem in stand waarin elektronen en moleculen elk een rol zullen spelen.”
Het moleculenverhaal wordt sterk gedomineerd door waterstof. Groen gas lijkt een onderschoven kindje. Waarom?
“Dat was heel lang zo, maar niet meer. Er sprake van een revival van groen gas. Dat heeft te maken met het besef dat waterstof zich minder snel kan ontwikkelen dan gehoopt. Dat betekent niet dat groen gas het gemakkelijk heeft, maar wel dat er serieuzer naar wordt gekeken. Voor de NEC is het daarom naast waterstof ook een speerpunt. Ik voorzie een belangrijke rol voor groen gas in de nabije toekomst.”
Tegelijkertijd is het duidelijk dat we langer aangewezen zijn op aardgas dan velen voor wenselijk houden. Wat betekent dat voor NEC.
“Wij hebben te maken met partijen die hun bestaan danken aan het aardgas en daar voor een deel nog steeds afhankelijk van zijn. Toch heb ik niet de indruk dat ze daarom die afhankelijkheid willen rekken, maar iedereen beseft dat de uitfasering langer zal duren dan eerder werd gedacht. Het zou goed zijn als we in de energietransitie meer naar deze en andere feiten kijken. Er wordt veel te veel geacteerd op onderbuikgevoelens. Hier in onze regio moeten we ons veel scherper richten op wat we precies willen bereiken en wat haalbaar is. Dat geldt trouwens net zo goed voor ons land en voor Europa. Zo niet, dan schrikken we investeerders af. Die willen geen zwabberbeleid.”
“Het zou helpen als de beleidsmakers daarbij leren denken vanuit de ondernemer. We hadden hier laatst een hoge ambtelijke delegatie van 12 ministeries op bezoek. We namen ze mee naar Oost-Groningen, naar de steenfabriek Strating in Oude Pekela, een 150 jaar oud familiebedrijf. Daar denken ze in generaties ovens. Ze staan nu voor de vervanging van de vijfde generatie, een enorme investering. Die willen graag weten wat ze concreet kunnen verwachten op waterstofgebied. Qua beleid en kosten natuurlijk, maar ook qua effecten op het productieproces en het product. In elk geval moet het voor iedereen duidelijk zijn dat duurzame alternatieven per definitie duurder zijn dan aardgas, ook als je gaat elektrificeren. In bepaalde gevallen is dat laatste, zoals uit een recente studie van de RUG bleek, zelfs kostbaarder dan de waterstofroute.”
Over kosten gesproken, we verspillen met z’n allen nog steeds veel energie. Het netwerk wordt bovendien niet efficiënt gebruikt: ondercapaciteit tijdens piekmomenten, overcapaciteit daar tussenin.
“De oplossing van dat probleem begint op het bedrijventerrein: ken de buurman. Het kan zijn dat jij de energie nodig hebt, terwijl op dat moment bij hem de warmte de lucht in vliegt. Wij kunnen daar als onafhankelijke partij bij helpen. In Noord-Holland doen we dat al. Daar zijn we energiehub-regisseur. Zo’n aanpak vereist dat je elkaar vertrouwt en relevante informatie deelt. Het is meer dan een gezamenlijk energiecontract afsluiten. Dat gaat uiteraard niet vanzelf en daar kan een neutrale partij als NEC dus een nuttige rol spelen.”
Auteur: Anton Buijs