Zoeken

Oostenrijk leert ons dat ook eigendom ertoe doet

Auteur

Pieter Boot

In de rondreis door landen waarvan we op het terrein van energie- en industriebeleid iets kunnen leren, is Pieter Boot in Oostenrijk aangekomen. “Hun waterkracht zorgt van oudsher al voor een hoog aandeel hernieuwbare elektriciteit – die bergen moeten we ontberen, maar wij hebben zee. Ik kijk naar drie onderdelen van hun beleid: hoe om te gaan met doelen, het belang van eigendom naast regelgeving, subsidies en beprijzing, en de stadsverwarming.”

Oostenrijk heeft zeer ambitieuze doelen. Niet alleen wil men dat de elektriciteit in 2030 hernieuwbaar is, maar ook dat er per saldo geen broeikasgasemissies in 2040 meer zijn – 10 jaar eerder dan Nederland of de rest van Europa. Bij die hernieuwbare elektriciteit zal men een eind komen: sinds jaar en dag wordt 60% van de opwekking door waterkracht geleverd en vooral het aandeel zonne-energie neemt snel toe. De stimulering voor burgers is hier dat je over de opgewekte zonne-energie geen elektriciteitsbelasting hoeft te betalen. Moeilijker is het bij windenergie: in de bergen vinden veel inwoners dat niet mooi en lokale autoriteiten hebben inzake de planning veel in te brengen. Dus de opgave is vooral windenergie te bespoedigen, mede omdat het seizoensprofiel daarvan goed bij de elektriciteitsvraag past.

Nog lastiger is de opgave bij het klimaatdoel. Eigenlijk illustreert de Oostenrijkse ervaring hier dat een te ambitieus doel weinig zin heeft. Immers, de broeikasgasemissies exclusief het landgebruik zijn in 1990-2024 maar met 16% gedaald. Inclusief het landgebruik zijn ze zelfs in die periode met 13% gestegen, omdat de bossen van opnemer van CO2 uitstoter daarvan zijn geworden. Oostenrijk heeft geen duidelijk groot idee wat hieraan is te doen en bij zo'n grote afstand tussen ambitie en realiteit is dreigt ambitie betrekkelijk inhoudsloos te worden. 

Heel interessant is de ontwikkeling in de industrie. Oostenrijk is een echt industrieland: 22% van het bruto binnenlands product en 26% van de werkgelegenheid is in de industrie te vinden. Mede door sterke innovatie neemt de industriële productie ook toe. Sinds de Russische inval in de Oekraïne heeft de energie-intensieve industrie veel last van hoge energieprijzen: de gasprijs is er hoog omdat men zich nu aan het eind van de invoer vanuit West-Europa bevindt in plaats van het begin van het Russische pijpgas. En de groothandelsprijs voor elektriciteit is hoog omdat deze ondanks het hoge aandeel hernieuwbaar in sterke mate door die van de omringende landen wordt bepaald. Oostenrijk illustreert dat een hoog aandeel hernieuwbare elektriciteit niet zondermeer tot lage elektriciteitsprijzen leidt. 

“Eigendom is in het energie- en industriedebat een verwaarloosd thema, terwijl het wel degelijk uitmaakt wie uiteindelijk de zeggenschap heeft”

Vergelijkbaar met andere Europese landen is de toegevoegde waarde van de energie-intensieve industrie in 2019-2024 met 7% afgenomen. Omdat Duitsland voornemens is een laag tarief voor de energie-intensieve industrie in te voeren, voelde Oostenrijk zich gedwongen dat ook te doen. Bij de Europese Commissie ligt een voorstel ter beoordeling om voor ruwweg 70% van het totale industrieel elektriciteitsgebruik een prijs van 50 euro per MWh in te voeren voor de helft van het elektriciteitsgebruik per onderneming, waarbij de helft van de opbrengst daarvan geïnvesteerd moet worden in decarbonisatie. Die laatste eis sluit aan bij nu al goedlopende industriële verduurzamingsprogramma's. Paradepaardje daarbij is het staalbedrijf Voestalpine, de grootste CO2-uitstoter van het land. Hier wordt een zogenaamde elektrische vlamboogoven gebouwd, waarbij grotendeels recycled ijzer omgewerkt wordt tot hoogwaardige eindproducten en oudere bestaande productie sluit. Dit is de aanzet tot een nog grotere investering in een geïntegreerd staalproces met waterstof. 

Voestalpine is ook bijzonder door zijn eigendomsstructuur. Tot in de jaren tachtig was het een staatsbedrijf – Hoogovens was dat toen deels ook nog – maar bij de privatisering is ervoor gezorgd dat driekwart van het eigendom Oostenrijks bleef: 60% bij vooral regionale banken en 15% bij de werknemers. Hoewel de activiteiten van het bedrijf sindsdien verder geïnternationaliseerd zijn, draagt deze structuur eraan bij dat veel vernieuwende investeringen in Oostenrijk plaatsvinden. Ook veel andere grote bedrijven kennen een sterk Oostenrijkse invloed in de besluitvorming. Mijns inziens illustreert dit dat het eigendom een in het energie- en industriedebat wat verwaarloosd aandachtspunt is. Het maakt echt uit wie er uiteindelijk de baas is. 

Van oudsher kent Oostenrijk vooral in grote steden veel stadsverwarming, vooral in de omvangrijke sociale woningbouw. Een kwart van alle woningen is sociale woningbouw en een vijfde van de verwarming van woningen is afkomstig van stadsverwarming. Het aandeel hiervan stijgt ook. De helft van de stadsverwarming wordt gevoed door biomassa. Toch zijn veel gebruikers hiervan ontevreden, omdat het toezicht op de kosten te wensen overlaat en de kostenstructuur ondoorzichtig is. De Oostenrijkse regering heeft dit signaal opgepakt en werkt aan beter toezicht. In 2030 moet 60% van de verwarming in de gebouwde omgeving hernieuwbaar zijn. Oostenrijk is een van de weinige landen waar nieuwe gas-cv installaties in bestaande woningen niet meer zijn toegestaan. 

De Oostenrijkse energievoorziening verschilt erg van de Nederlandse. De verduurzaming van de industrie heeft er baat bij gehad dat men voorzichtiger is geweest met verkoop van eigendom aan het buitenland. De wisselwerking tussen sociale woningbouw en stadsverwarming is er belangwekkend, zij het dat de transparantie daarvan beter moet. Oostenrijk laat ook zien dat als je doelen stelt die te ver afstaan van werkelijke ontwikkeling, ze hun betekenis dreigen te verliezen. 

Pieter Boot

Pieter Boot is verbonden aan het CIEP en was sectorhoofd bij het PBL