Zoeken

De politiek wikt, de markt beschikt

Auteur

Anton Buijs

Zolang de rendementen op investeringen in olie- en gasprojecten wereldwijd hoog zijn, blijft het behelpen met de verduurzaming van onze energievoorziening. Politici en overheden die anders willen, kunnen de markt wel beïnvloeden, maar niet verslaan. Toch gloort er volgens Anton Buijs hoop voor iedereen met groene idealen. Diezelfde markt waarin fossiele brandstoffen nog altijd floreren, kan zich sneller tegen ‘Big Oil’ keren dan in de bestuurskamers van de betrokken bedrijven voor mogelijk wordt gehouden.

Zo ken ik ze weer, dacht ik, toen ik las dat de CEO van mijn voormalige werkgever ExxonMobil, Darren Woods, tegen de wens van showman Donald Trump in botweg had geweigerd om zomaar miljarden in de Venezolaanse olie-industrie te investeren. Ze kijken wel uit, daar in Dallas, in het hoofdkantoor van ’s wereld grootste particuliere olie- en gasconcern. Woods wees er fijntjes op dat zijn bedrijf in dat land al twee keer was onteigend, dus eerst de miljarden wilde teruggezien waarvan het bij die gelegenheden was beroofd. De politieke situatie was er bovendien, zo zei hij in een interview met de Amerikaanse nieuwssite CNBC, niet stabiel genoeg en het bestuur niet ‘representatief’. Samenvattend noemde de ExxonMobil-baas de oliesector ter plaatse, na jaren van verwaarlozing, ‘uninvestable’.

Daar was Trump uiteraard niet blij mee. Hij dreigde ExxonMobil uit te sluiten van toekomstige investeringen. Eigenlijk komisch om daarmee te dreigen tegen een partij die juist net heeft verteld dat ze daarin niet geïnteresseerd zijn, maar goed, logica is aan de huidige bewoner van het Witte Huis zoals bekend niet besteed.

Los van al het politieke theater staat de openlijke botsing tussen de Amerikaanse president en ExxonMobil voor iets fundamentelers: het primaat van de markt en (daardoor) de onwil van met name particuliere zeer kapitaalintensieve bedrijven om miljarden te steken in politiek gedreven projecten die naar eigen verwachting (te) weinig opleveren voor hun aandeelhouders. Daar kan zelfs de – ‘drill baby, drill’ – president van de VS niets aan veranderen.

De energiesector heeft op dit vlak een reputatie hoog te houden. Energiebedrijven investeren jaarlijks miljarden om de energievoorziening op gang te houden en daar goed aan te verdienen. Het is echter een langetermijnbusiness. De investeringen van vandaag kunnen pas na jaren inkomsten genereren. Vervolgens moeten de gebouwde fabrieken en installaties lang operationeel blijven om het gewenste totaalrendement, bij voorkeur een percentage met dubbele cijfers, op te leveren. Het verbaast dan ook niemand dat deze bedrijven de kansen in hun sector uitermate zorgvuldig afwegen tegen de risico’s. Ze blijken om dezelfde reden ook redelijk ongevoelig voor de verlangens van overheden wanneer die hun eigen belangen, lees die van hun aandeelhouders, doorkruisen. Overheden kunnen natuurlijk invloed uitoefenen op dit proces door middel van subsidies en regelgeving maar de middelen zijn beperkt. Uiteindelijk zijn het de marktpartijen die bereid moeten zijn om te investeren, anders gebeurt er te weinig.

“Met andere woorden: de vraag bepaalt het aanbod”

De traditionele olie- en gasconcern draaien hun centen vele malen om, voordat ze een investeringsbeslissing nemen. Het verwachte rendement op geïnvesteerd vermogen is zoals gezegd leidend. Dit verklaart waarom ExxonMobil en sinds enige tijd ook Shell en BP geen of, in het geval van de laatste twee, steeds minder werk maken van duurzame energieprojecten en primair inzetten op de traditionele kernactiviteit, de olie- en gaswinning. Het topmanagement is ervan overtuigd dat dit ook op langere termijn het beste verdienmodel is. De wereldbevolking heeft immers steeds meer energie nodig en die zal, aldus ‘Big Oil’ ook de komende decennia voornamelijk uit fossiele bronnen komen. Met andere woorden: de vraag bepaalt het aanbod. Voorzover er in deze ondernemingen sprake is van klimaatbeleid, beperkt dit zich hoofdzakelijk tot het ‘decarboniseren’ van olie en gas in CCS-projecten. Maar ook daar geldt dat de financiële voordelen van zulke investeringen – primair het ontlopen van CO2-emissiekosten die voortvloeien uit het Europese emissiehandelssysteem en de mogelijke aanspraak op subsidies – zwaarder moeten wegen dan de hoge kosten. Dat dit goed is voor ‘het klimaat’, is meegenomen maar nooit doorslaggevend.

Voor politici die serieus werk willen maken van klimaatbeleid, is dit een ongemakkelijke waarheid. Ambities en plannen zijn er te over, maar helaas lopen die te vaak geheel of deels vast in de weerbarstige uitvoerings- en financieringspraktijk. De binnenkort aftredende minister van Klimaat en Groene groei, Sophie Hermans, kan erover meepraten.

Is dat erg? Zorgwekkend is het zeker, want het tempo van verduurzaming is ondanks de onmiskenbare vooruitgang van de afgelopen jaren te laag; de kans dat de klimaatdoelen van Parijs worden gehaald, wordt met de dag kleiner. Toch gloort er ook hoop. Het conservatisme van olie- en gasbedrijven lijkt op dit moment economisch verstandig, maar is het dat ook op langere termijn, zoals ze zelf kennelijk denken? Laten we niet vergeten dat juist zij de snelheid waarmee duurzame energiebronnen zich ontwikkelen, door de jaren heen systematisch hebben onderschat. Wie hield er rekening mee dat uitgerekend de industriële supermacht China het voortouw zou nemen met de vervanging van fossiele door duurzame energie? Wat staat ons op technologisch gebied nog te wachten, bijvoorbeeld door de snelle opkomst van kunstmatige intelligentie?

Diezelfde markt die tot nu toe remmend werkte op het klimaatbeleid zou in de nabije toekomst wel eens de versneller kunnen zijn. Ik zou daar als belegger in fossiele bedrijven in elk geval ernstig rekening mee houden.

Anton Buijs

Anton Buijs is voormalig manager communicatie en public affairs van GasTerra en medeoprichter van Energiepodium.