Roland Berger publiceerde een analyse over de ontwikkeling van de chemische industrie in 2022-2025. Het Financiële Dagblad berichtte daar al over, maar wat minder naar voren kwam is hoeveel slechter het in Nederland gaat dan in omringende landen, waar het al slecht is. Roland Berger gaf aan dat de aangekondigde (tijdelijke of definitieve) sluitingen in de chemie 9 procent van de productie bedragen, nog iets meer in de petrochemie en wat minder in specialty chemicals. Daar staan geringe investeringen in verduurzaming tegenover. De voorgenomen sluiting gaat elk jaar sneller met een top in 2025. De investeringen in verduurzaming vertragen juist. De onbalans tussen sluiting en investeringen is in absolute zin in Nederland maar iets kleiner dan in Duitsland, tweemaal zo groot als die van Frankrijk en ook veel groter dan in het Verenigd Koninkrijk. In België wordt daarentegen nog wel geïnvesteerd. De aangekondigde sluitingen zijn in Nederland het dubbele van het aandeel in de chemische industrie in de onderzochte landen, de verduurzamingsinvesteringen zijn precies gelijk aan dit aandeel (daar valt Duistland negatief uit de toon). Roland Berger stelt daarbij dat de sluitingen in petrochemie en basischemie een sterke doorwerking verderop in de keten kunnen hebben, omdat chemische bedrijven sterk met elkaar zijn verbonden.
Een iets eerder verschenen studie van Simon Kucher werpt enig licht op de oorzaak van deze gang van zaken. Deze studie behandelt de vraag of bedrijven in chemie, staal, glas- en cementindustrie naar eigen zeggen nog wel willen blijven en wat er nodig is om een groene strategie rendabel te maken. Het onderzoek betreft België, Duitsland, Frankrijk, Nederland, Oostenrijk en Zwitserland. Ook hier blijkt dat de chemie het stelligst overweegt naar andere regio's te verhuizen (een kwart van de ondervraagde bedrijven). In alle onderzochte bedrijfstakken worden investeringen uitgesteld, alleen in de glasindustrie zijn de wijzigingen ten opzichte van vroegere strategieën kleiner. De chemie wordt omschreven als de bedrijfstak die zich het eerst mondiaal zal verplaatsen, staal doet dat minder makkelijk door de enorme investeringen uit het verleden waarbij de vergroening wel overal in de wereld kan plaatsvinden. De cement- en glasindustrie zullen altijd dichter bij de vraag blijven. De belangrijkste belemmeringen om in West-Europa te verduurzamen zijn energiekosten, betrouwbaarheid van (uitbreiding van) netten en voorspelbaarheid van beleid. Het is duidelijk dat Nederland op deze drie aspecten de laatste jaren slecht scoort.
“Veelzeggend is dat het hoofd Klimaat en Energie van het PBL indiceerde dat wellicht de helft van de broeikasgasreductie in 2015-2024 in de industrie het effect is van productievermindering”
Het coalitieakkoord van CDA, D66 en VVD wil daar iets aan doen. De klimaatambities richten zich minder op 2030 – dat is te dichtbij om nog werkelijk investeringen te realiseren - en meer op 2040-2050. De coalitie wil inzetten op een ambitieus Europees pakket voor 2040 en in 2027 bezien tot welke beleidsaanvullingen dat in Nederland moet leiden. Voor de industrie wordt ingezet op een gelijk speelveld met omringende landen, daarom verdwijnt de nationale CO2-heffing en moeten de elektriciteitskosten voor grootverbruikers omlaag. Dat laatste vindt plaats door een half miljard euro voor zowel voortzetting van de indirecte kostencompensatie van ETS als tegemoetkoming in de elektriciteitsprijzen van bedrijven met nadruk op de basisindustrie. De SDE++, waarvoor het geld bij de huidige regering na 2026 op was, gaat met 6 rondes door tot en met 2032. Samen met verschillende vormen van maatwerkafspraken moet dit het grote vehikel voor industriële verduurzaming worden. In 2040 moet er 40GW wind op zee staan, waarvoor ook geld wordt uitgetrokken. De ambitie wordt uitgesproken vier nieuwe kerncentrales te bouwen, maar die moeten het met het bestaande geld doen.
Een belangrijke vraag is dan wat met het gelijke speelveld bedoeld wordt en of dat uitkomt. Verschillende studies indiceren dat inclusief netkosten en belastingen in 2024-2025 de elektriciteitskosten voor de grote industrie in Duitsland ongeveer 10% lager waren dan in Nederland, in België vergelijkbaar of ook 10% lager, in Frankrijk een derde lager, maar in het Verenigd Koninkrijk wat hoger. De indirecte kostencompensatie maakt dan een groot verschil. Ondertussen hebben de andere landen ook niet stil gezeten. In Duitsland is tot een enorm financieel pakket besloten wat vrijwel alle netkosten voor de basisindustrie wegneemt. In november is aangekondigd dat de prijs voor de basisindustrie 50 euro/MWh zal gaan bedragen (tegen zo'n 80 of meer in de genoemde studies), maar dat geldt maar voor de helft van het verbruik. Ook in het VK zijn de tegemoetkomingen fors uitgebreid. In Frankrijk is de verlaagde prijs voor kernstroom beëindigd, maar beijvert EDF zich om afspraken met bedrijven te maken. Het is dus belangrijk om goed uit te werken wat het gelijke speelveld nu gaat inhouden. Nuttig is ook dat aangekondigd wordt dat het pakket voor een lagere industrieprijs in overleg nader wordt uitgewerkt, want de Duitse regering stelt dat een combinatie van indirecte kostencompensatie en prijsverlaging niet zomaar door de Europese Commissie is toegestaan.
Er wordt verschillend gedacht over het risico van verdwijnen van basisindustrie en de mate waarin emissiereducties hierdoor worden veroorzaakt. Veelzeggend is dat het hoofd Klimaat en Energie van het PBL op een bijeenkomst over Tien jaar Parijs in december indiceerde dat wellicht de helft van de broeikasgasemissiereductie in 2015-2024 in de industrie het effect van productievermindering was, tegen een andere helft door beleid zoals de SDE++. Al eerder was door PBL aangegeven dat het verduurzamingseffect van de nationale CO2-heffing veel minder zou zijn dan eerder was verwacht en dat een risico op weglek juist zeker aanwezig was. Ook het CPB had er in zijn analyse van de verkiezingsprogramma's eind vorig jaar al op gewezen dat juist politieke partijen die grote emissiereducties in het vooruitzicht stelden, dit in forse mate doen door weglek van bedrijvigheid naar het buitenland.
Recente studies geven aan dat er in West-Europa sprake is van sterke productievermindering van delen van de basisindustrie, maar dat dat in Nederland nog sterker het geval is. Het gaat om bedrijven met internationale eigenaren, die niet per se hier investeren. Het is daarom goed dat het coalitieakkoord hier serieus naar kijkt. Voor de ingewikkelde verduurzaming van de basisindustrie worden enkele instrumenten genoemd, daar is nog veel uit te werken. Een belangrijke vraag daarbij is hoe het gelijke speelveld wordt gedefinieerd en hoe het beleidspakket voor verduurzaming er uit gaat zien.